SOS 2011
Naar een sociaal-economische hervormingsagenda
SOS 2011 is een platform dat de maatschappelijke actoren, zoals de politici en de sociale partners, oproept dringend werk te maken van maatregelen die de gevolgen van de vergrijzing opvangen.
In 2011 bereiken de eerste babyboomers (geboren na 1946) de pensioengerechtigde leeftijd. Er ontstaat een demografisch onevenwicht: meer ouderen voor relatief minder jongeren. De huidige generatie werkenden en alle jongeren die de arbeidsmarkt betreden zullen tijdens de volgende generatie moeten bijdragen om deze hogere kosten voor de pensioenen en de gezondheidszorg op te vangen. Dat legt evenwel een zware financiële druk op de schouders van de toekomstige generatie en doet de vraag rijzen of ons model van de welvaartsstaat wel nog houdbaar zal zijn?
Wij zijn ervan overtuigd dat sociale bescherming en duurzame economische groei zeker kunnen worden gegarandeerd. Maar dat kan niet door alles bij het oude te laten of enkel symbolische maatregelen te nemen. De gewijzigde verhoudingen in de bevolkingen vereisen een nieuw sociaal evenwicht. Intergenerationele solidariteit betekent immers niet dat de jongere generatie onvoorwaardelijk de lasten in het huidig model van sociale zekerheid zal dragen. Dergelijke solidariteit is maar mogelijk op basis van een échte dialoog tussen de generaties en maatregelen die inspanningen vragen van iedereen.
SOS 2011 wil het grote stilzwijgen aanklagen van de beleidsmakers die het thema van de vergrijzing onder de mat willen schuiven. En zij die er toch over spreken, schuiven een aanpak van de vergrijzing enkel naar voren. Nochtans is vandaag het beste ogenblik om onze samenleving klaar te stomen voor de vergrijzing. Vanaf 2011 is het immers te laat en zal er weinig mogelijkheid zijn om op een serene manier aan oplossingen te werken. Vandaag bevinden we ons op een sleutelmoment om de noodzakelijke hervormingen tot stand te brengen die onze welvaartsstaat kunnen redden.
Het beeld dat SOS 2011 wil gebruiken is dat van een groot schip dat in de verte een ijsberg ziet opdoemen. Iedereen weet dat de ijsberg er ligt, maar niemand lijkt geneigd om het schip op een andere koers te brengen, omdat men, net zoals bij de Titanic, halsstarrig blijft beweren dat het schip nooit zal kunnen zinken. Wij zijn alleszins niet bereid dat risico te nemen en reiken nu al een reddingsboei aan, maar hopen dat het beleid zelf snel tot inkeer zal komen en hervormingen zal doorvoeren. Want vandaag hebben we vooral moedig politiek leiderschap nodig, net zoals ook een schip niet zonder een kapitein kan.
Onze actieterreinen zijn daarom de volgende:
1. Een tweede Generatiepact. Het eerste Generatiepact uit 2005 was een goede eerste stap om de eindeloopbaanproblematiek aan te pakken. De plannen betroffen echter maar een kleine minderheid werknemers en betekenden ook geen globale aanpak van de vergrijzing. Daarom is er nood aan een volwaardig Generatiepact. Oudere werknemers moeten worden aangemoedigd langer aan de slag te blijven, eventueel via een aangepaste loopbaan. Om de betaalbaarheid van de pensioenen te garanderen, moet de pensioenleeftijd geleidelijk worden opgetrokken naar 67 jaar. Vanaf 2010 zou de pensioenleeftijd ieder jaar met één maand kunnen worden verhoogd, zodat bruuske effecten worden vermeden.
2. Meer mensen aan het werk. Een hogere participatie aan de arbeidsmarkt is het beste recept tegen de gevolgen van de vergrijzing. Langer werken is zeker niet de eerste en enige mogelijkheid om de pensioenproblematiek aan te pakken. Er is ook bij de jongere generaties nog teveel ongebruikt talent. We moeten dus blijven investeren in mensen via onderwijs en opleiding. Het is de rol van bedrijven om jobs te creëren, dus zij mogen hierin niet worden gehinderd, zodat ook meer kansengroepen aan de slag kunnen gaan. Dat kan bijvoorbeeld ook via flankerende maatregelen, zoals een betere toegang tot kinderopvang of vormen van arbeidsmigratie. Discriminatie op de arbeidsmarkt moet hard worden aangepakt.
3. Een begroting voor de lange termijn. België kent een hoge staatsschuld. Het afbouwen van deze schuld moet daarom een prioriteit blijven. Financiële meevallers moeten worden geïnvesteerd in duurzame maatregelen of opzij gezet. Er moet een einde komen aan de kortetermijnpolitiek die zo vaak in begrotingen aanwezig is. Een schoolpremie hier of een stookoliecheque daar zijn misschien wel nuttig om tijdelijk de koopkracht van de mensen te verhogen, maar dit zijn geen structurele maatregelen met voordelige gevolgen op lange termijn. Belastingverlagingen zijn nuttig als deze een terugverdieneffect hebben.
4. Een andere arbeidsmarkt met flexibiliteit én zekerheid. De arbeidsmarkt zoals we die kennen, is te star. Dat creëert een dualiteit tussen zij die in vaste, goed beschermde jobs zitten en zij die het steeds met onzekere, slecht beschermde contracten moeten doen. Die onrechtvaardigheid moeten we rechtzetten. Het ontslagrecht moet worden hervormd, waarbij de toeleidingsweg naar ander werk centraal staat en niet het onmogelijk maken van iedere vorm van flexibiliteit. Een activerend arbeidsmarktbeleid is nodig dat waarbij het beginsel van jobzekerheid plaats moet ruimte maken voor werkzekerheid.
5. Een performante overheid. Een duurzame overheid moet beginnen bij zichzelf. We stappen niet mee in het dogma van “minder ambtenaren”, maar willen wel een overheid die resultaten aflevert. De pensioengolf die ook het ambtenarenkorps treft, moet gezien worden als een opportuniteit tot grondige reorganisatie en efficiëntieverbetering. Overheidsdiensten moeten meer autonomie krijgen, maar ook meer rekenschap afleggen over wat ze bereiken met de beschikbare middelen. Overbodige overheidsdiensten of -niveaus moeten worden afgeschaft of hervormd.

