In het staatsrecht is een constitutie de grondslag van een staat. Deze is vaak, maar niet altijd, vastgelegd in een grondwet, een document waarin de grondrechten en/of de organisatiestructuur van de staat in een bepaald land beschreven staan.
Constituties variëren van land tot land, maar toch zijn er enkele bijna-universele kenmerken. Constituties regelen de organisatie van de overheid, ze zeggen bijvoorbeeld of het een parlementair of presidentieel systeem is, welke mechanismen de wetgevende macht heeft om de uitvoerende macht (het bestuur) te controleren, wat de rol is van de rechterlijke macht en op welke manier de macht verdeeld is tussen de centrale overheid en decentrale organen, zoals provincies en gemeenten.
Ze erkennen meestal ook een aantal fundamentele rechten van burgers. De betekenis van die rechten kan heel verschillend zijn. Klassieke grondrechten, zoals "vrijheid van meningsuiting", zijn afdwingbaar via de rechter. Sociale grondrechten, zoals "het recht op werk", zijn niet via de rechter af te dwingen: ze houden vooral een zorgplicht van de overheid in, dat wil zeggen: de overheid moet zich ervoor inspannen dat zoveel mogelijk burgers ervan kunnen profiteren.
Vrijwel alle democratieën hebben een geschreven grondwet. Een voorbeeld van een land zonder geschreven grondwet is het Verenigd Koninkrijk. Het constitutioneel recht ligt daar vast in wetten, gewoontes en rechtspraak.
