“Lachen met taboes is gezond”, moeten Trey Parker en Matt Stone gedacht hebben toen ze in 1997 met hun geschifte animatieserie South Park de beeldbuis bestormden. Al 14 seizoenen lang staat de reeks garant voor heerlijk bekkende scheldtirades aan het adres van alles wat hun pad kruist, met extreme geweldsituaties en ranzige sekstaferelen tot gevolg. Gaandeweg werd de brok energie die de serie uitbraakte, steeds sterker gekanaliseerd op actuele en maatschappelijk relevante thema’s en werd de gevatte inhoud steeds meer bejubeld, wat de reeks Emmy Award-winst opleverde. Toch wil dat niet zeggen dat er geen aanstoot meer aan wordt gegeven; onlangs zagen de makers zich zodoende nog verplicht aan zelfcensuur te doen.
South Park telt onder haar slachtoffers onder meer Jezus, Obama en rapper Kanye West. In twee afleveringen van het laatste seizoen werd ook de profeet Mohammed opgevoerd, evenwel totaal onherkenbaar in berenkostuum. Radicale moslimgroepen konden zich niet meer bedwingen en uiten al bedreigingen aan het adres van de makers. Daarop besloten de mensen achter de serie alle verwijzingen naar de profeet in de episode te censureren.
Dit voorbeeld van zelfcensuur staat niet alleen. Ook Facebook werd onlangs door enkele, overwegend islamitische landen in het vizier genomen. Zowel Bangladesh als Pakistan blokkeerden een tijdlang de sociale netwerksite om religieuze redenen, namelijk ook omwille van het feit dat de profeet Mohammed werd afgebeeld (al dan niet karikatuuraal), door moslims veelal als godslastering afgedaan. Pas nadat men bij Facebook de betrokken pagina’s verwijderde en de excuses aanbood, werd Facebook terug toegankelijk gemaakt.
Het probleem dat zich hier in de feiten stelt, vloeit voort uit de globaliserende tendens van het beschikbaar stellen en verspreiden van informatie door het internet, ver over de landsgrenzen heen. Steeds meer culturen, religies en levensbeschouwingen vinden elkaar dan ook in een steeds meer vervlochten sociale en politieke ruimte binnen een digitale context. De onvermijdelijke confrontatie die daar uit volgt, is niet nieuw; het is een verhaal dat zich, ook in onze contreien, met de regelmaat herhaalde tussen stammen, dorpen, steden en landen.
In het verleden kwamen we in deze strijd steeds vooruit door ons – niet zonder vallen of opstaan – toleranter op te stellen ten aanzien van de ander. Die maatschappelijke tolerantie diende dan wel wederkerig te zijn, wilde het ‘intercultureel’ samenleven een kans op slagen hebben. Die wederkerigheid zal sneller bereikt worden wanneer de overtuigingskracht van het eigen standpunt gerespecteerd wordt en als plausibel en redelijk alternatief wordt aangeboden aan de ander. De kennis en de bewustwording van elkaar die daaruit voortvloeien, bieden inzicht in elkaars gemaakte keuzes en zullen tot tolerantie en beter samenleven leiden. Ultiem genomen kan dit de keuzevrijheid en dus het geluk van de ander ook enkel bevorderen.
Het is het dan ook bijzonder jammer te zien dat onze samenleving zichzelf in haar vrijheid beperkt, om de geloofsovertuiging van een bepaalde, in dit geval religieuze, groep te sparen. Het uit de weg gaan van dergelijke discussies komt de kracht van onze democratische waarden immers niet ten goede. Toegegeven, humor als wapen tegen heilige (en voornamelijk religieuze) huisjes, kan inderdaad beledigen of zelfs kwetsen. De kracht van de vrije meningsuiting ligt echter net in het feit om dat met je eigen opinie te overwinnen of te verklaren ten aanzien van de ander; dat is het aan te bieden alternatief. Daarentegen, bedreigingen uiten en oproepen lanceren om op fysieke desastreuze wijze op te treden, blijft zonder pardon een brug te ver. Zelfcensuur legitimeert deze laatste optie echter als strategisch wederwoord en betreft bijgevolg een uiterst zwakke verdediging tegen ondemocratische tendensen. Angst is in dit debat dan ook geen goede raadgever; vertrouwen op de eigen overredingskracht is dat wel.
David Dockx
(dit artikel verscheen in verkorte vorm in ons ledenmagazine SLiM)





